september 2021

Samenleven met de wolf? Als herders vinden wij dit steeds lastiger. De problematiek wordt in beleidskringen onderschat en de gevolgen liggen eenzijdig op het bordje van herders, veehouders en hobbyhouders. Er is vertwijfeling en weerstand, omdat het huidige beleid geen perspectief biedt.

Achtergronden
Steeds meer wolven
In 1996 vestigde zich na lange tijd weer een wolf in het oosten van Duitsland. Inmiddels is het aantal wolven in Duitsland sterk toegenomen en wordt het aantal geschat op 1200 tot 1500 dieren (circa 130 roedels).
In Nederland zijn vanaf 2015 weer (zwervende) wolven waargenomen en is er sprake van gevestigde wolven vanaf 2019. Meer specifiek: er heeft zich op de Veluwe een roedel gevestigd waarvan eerste jongen al uitzwerven. En in het grensgebied Brabant/Noord-Limburg heeft zich een wolf gevestigd die veel vee pakt en ook ‘wolvenrasters’ (aangebracht volgens voorschriften BIJ12) overwint, inmiddels zeker 29 keer.   

Steeds meer schade
Wolven eten vooral wild, maar ook landbouwhuisdieren, met name schapen. In Duitsland is – ondanks de genomen preventieve maatregelen – het aantal wolvenaanvallen en het aantal gedode schapen de laatste jaren sterk toegenomen: in 2019-20 waren er 887 geregistreerde aanvallen met 2894 slachtoffers bij landbouwhuisdieren.
Ook in Nederland is met de toename van het aantal wolven te verwachten dat het aantal gedode landbouwhuisdieren zal toenemen. Verder blijkt uit Duitse cijfers dat naarmate de dichtheid van wolven in een gebied toeneemt, ook in toenemende mate ander vee wordt aangevallen: jonge runderen, geiten, pony’s en veulens, alpaca’s en dergelijke. De schade betreft niet enkel dode dieren; het gaat ook om gewonde dieren, verstrooide dieren en dieren die na een aanval een dracht verwerpen.

Niet alleen in de natuur
Een belangrijk onderdeel van ons voortschrijdend inzicht is dat we aanvankelijk dachten dat wolven zich zouden vestigen in natuurgebieden met wild. Dat blijkt in Duitsland en Nederland echter niet zo. Door de sterke bescherming went de wolf aan mensen en vestigt zich ook in drukke gebieden. Zijn leefgebied bevat meestal juist meer landbouwgebied dan natuur. En dus is er veel meer veeschade dan oorspronkelijk verwacht.

Zorgen
Het VGSN-bestuur maakt zich hier ernstige zorgen over. In verschillende provincies en in interprovinciaal verband wordt gewerkt om de effecten van de wolf op de schapenhouderij zoveel mogelijk te beperken.

Beleid stokt
Maar de effectiviteit en de voortgang van het beleid is ons inziens veel te gering, door onder andere:

  • de decentralisatie van het natuurbeleid in Nederland
  • de beschermde status van de wolf
  • de strenge wetgeving op dat terrein
  • het feit dat een goed managementplan voor de wolf op Centraal-Europees niveau geregeld moet worden 

Draagvlak neemt af
Daar komt bij dat het draagvlak voor de overheidsaanpak onder professionele schapenhouders en bij ons als bestuurders aan het afnemen is. Dit hangt samen met de gegroeide bestuurlijke situatie:

  • “Pro-wolf”-organisaties zijn oververtegenwoordigd in diverse overleggremia.
  • Een deel van de ambtelijke ondersteuning van de beleidsmakers heeft sterke connectie/affectie met de “pro-wolf”-organisaties.
  • “Pro-wolf” organisaties worden nauw betrokken bij meldingen van wolfaanvallen.
  • BIJ12 lijkt meer belang te hechten aan de mening van ecologen dan van schapenhouders; zo was bij het opstellen van het eerste Wolvenplan de inbreng van schapenhouders niet welkom.
  • BIJ12 vertoont weinig transparant en zwabberend beleid bij schadetaxaties en -afhandeling.
  • Monitoringsgegevens worden niet (tijdig) beschikbaar gesteld.
  • Onderzoeksbudgetten van de overheid gaan maar weinig of niet naar onderzoek naar innovatieve maatregelen ter bescherming van landbouwhuisdieren tegen de wolf.

Decentraal
En dan: de Nederlandse aanpak is dat er per provincie beleid wordt gemaakt. De uitwerking verschilt per provincie en is tot op heden met name gericht op subsidiëring van materiaalkosten van preventieve maatregelen. Op de vraag hoe het moet met de vereiste extra arbeid en zwaarte van die arbeid en wat te doen met een probleemwolf is nog geen begin van een antwoord.

Er is een voorzichtige start gemaakt met een tweede versie van een Interprovinciaal Wolvenplan en sinds dit voorjaar is een Landelijk Overleg Wolf gestart, waarin tot op heden zaken die voor de VGSN-leden van cruciaal belang zijn onvoldoende voortvarend worden opgepakt.

De VGSN heeft daarom de volgende standpunten:

  1. De komst van wolven heeft grote gevolgen voor de ‘stoffering van het landschap’. Het huidige beleid leidt ertoe dat veehouders hun zorgplicht niet waar kunnen maken als er een wolf in de buurt is. Het vee gaat dientengevolge uit de wei en van de hei verdwijnen (zie kader). Dit staat haaks op het grote maatschappelijke belang van schapen op de hei en vee in de wei voor het mooie gezicht, maar ook voor het onderhoud van het landschap en de biodiversiteit.  
  2. Het moet snel duidelijk worden (concrete criteria) wanneer een wolf als probleemwolf aangemerkt kan worden en dus gefundeerd afgeschoten mag worden. Dus een rechtsgeldige escalatieladder en provinciale overheden die bereid zijn vergunningen af te geven. De genoemde Brabants-Limburgse wolf is (zeker in vergelijking met gedrag van de wolven op de Veluwe), overduidelijk een probleemwolf. Proefprocessen die tot jurisprudentie leiden gaan we niet uit de weg.
  3. De wetgeving moet zo veranderd worden dat niet meer elk afzonderlijke wolf op welke plek dan ook sterk beschermd is, maar dat er bescherming op populatieniveau is op Europees niveau (in ons geval: de West-Europese laaglandpopulatie). Met andere woorden: wetgeving die het management van wolven regelt. Ook Duitse wetenschappers pleiten hiervoor.
  4. Er moeten wolfvrije gebieden aangewezen worden: gebieden met een ongeschikt habitat, dan wel gebieden waar preventieve beschermingsmaatregelen niet ‘haalbaar en betaalbaar’ zijn. Wij denken daarbij aan de systematiek die voor wilde zwijnen gangbaar is: leefgebieden en nulstandgebieden, oftewel management.
  5. Er moet voldoende financiële compensatie komen voor begrazingsbedrijven die hun bedrijfsvoering moeten aanpassen. Naast het subsidiëren van kosten voor preventieve maatregelen moeten ook verdere kosten vergoed worden: de arbeids- en onderhoudskosten (zie regeling Zweden) en de kosten van het noodzakelijk overschakelen op 7 dagen per week hoeden met (semi-)permanente nachtkralen. Wat dat laatste betreft wil de VGSN graag in overleg met de gezamenlijke terreinbeherende organisaties en overheden die van begrazingsdiensten gebruik maken. In toekomstige aanbestedingen moeten deze zaken expliciet meegenomen worden.
  6. Aanvullend op punt 5.: er moeten ook snel oplossingen komen voor de specifieke problemen bij stadsbegrazing en winterbegrazing.
  7. Vervolgschades na een wolvenaanval moeten vergoed worden (denk aan verwerpers in de periode na de aanval).

Actieve lobby
De VGSN participeert tot op heden in verschillende provinciale wolvencommissies en in het Landelijk Wolven Overleg. Wij willen dat blijven doen, maar daarnaast vinden wij dat wij uit het oogpunt van effectieve belangenbehartiging voor onze leden (de herders) onze visie krachtig moeten uitdragen en initiatieven moeten nemen om onze doelen te bereiken en dat we onze standpunten ook rechtstreeks met voor ons relevante partijen moeten bespreken. Wij willen ook allianties zoeken met andere organisaties die bezig zijn met dierenwelzijn en belangenorganisaties van andere diersoorten.

___________________________
Wolf en ‘inkrimpen veestapel’ – alle dieren naar binnen?
In de media wordt – zonder enige kennis van zaken – wel geroepen dat de wolf een mooie oplossing is voor het inkrimpen van de veestapel. Dat klinkt aardig, maar is natuurlijk totale onzin. De veestapel die we als maatschappij willen inkrimpen, zijn de intensief gehouden varkens, pluimvee, geiten en kalveren; die hebben in hun hermetisch afgesloten stallen niets te vrezen van de wolf.

Wél heeft de wolf invloed op het vee dat we wél graag buiten zien: vrije-uitloopkippen, biologische scharrelvarkens, koeien, kalveren en schapen in de wei en op de hei. Het ultieme gevolg kan zijn dat álle dieren naar binnen gaan. Dat wil de maatschappij niet (zie de inspanningen om de koe in de wei te houden). Het is landschappelijk en cultuurhistorisch ongewenst. Maar het is ook slecht voor de biodiversiteit waar natuurgrazers en vee in de wei voor zorgen.
____________________________

____________________________
Kuddebewakingshonden meestal niet bruikbaar
Veel mensen zien kuddebewakingshonden (kbh’s) als dé oplossing voor het wolvenprobleem. Als VGSN zijn we van mening dat dit in de meeste gevallen niet werkt. Redenen:

  • Kuddebewakingshonden zijn duur (per kudde 3 honden: € 12.000 voor de aanschaf en jaarlijks € 2500 voor voer en dierenartskosten). Wie gaat dat betalen?
  • Een kbh is gewend aan en beschermend richting zijn baasje. Maar vrijwel alle kuddes werken met wisselend personeel en vrijwilligers bij kuddes.
  • Kbh’s verdedigen tegen de wolf, maar vaak ook tegen honden en mensen. Veel kuddes lopen in natuurgebieden met recreanten, vaak met hun (loslopende) honden.
  • Kbh’s kosten extra tijd voor de herder (training, voeren, verzorging), en die werkt vaak al 10 uur per dag, 6 dagen in de week.
  • Kbh’s blaffen bij het minste geringste, wat ongewenst is in de buurt van bewoond gebied.
  • Vrijwel alle herders weiden hun kuddes ’s winters bij melkveehouders. Deze boeren willen geen honden in hun weides vanwege de Neosporabacterie in hondenpoep die abortus veroorzaakt bij koeien. Ook blaffen de kbh’s veel en graven ze kuilen in de wei.
  • Ten slotte: er zijn op korte termijn sowieso niet genoeg getrainde kbh’s beschikbaar.
    _______________